Architectuur in Florence (vervolg) 2/2

Alberti zou in het midden van de vijftiende eeuw het begrip schoonheid als volgt omschrijven:

‘een rationele ordening en samensmelting van de proporties van alle delen van een gebouw, zodanig dat elk deel zijn absoluut vaststaande vorm en omvang heeft en niets kan worden toegevoegd of verwijderd zonder dat de harmonie van het geheel wordt verstoord.’

Aldus Alberti in zijn ‘De re Aedificatoria.’ Geciteerd uit: Rudolf Wittkower, ‘Grondslagen van de architectuur in het tijdperk van het humanisme’, Sun, Nijmegen, 1971 (Nederlandse uitgave 1996) blz. 14

Naast de bovengenoemde hoofdregels, zijn er nog allerlei subregels zoals het juiste gebruik van de orden (Dorisch, Ionisch etc), het intercolumnium, de hoogte van de zuil als maatbepalend voor het hoofdgestel of entablement, de juiste entasis en natuurlijk de juiste orde voor het gebouw. De Grieken zagen in de zuil een menselijk figuur. Er werd gesproken over het basement of de voet van een zuil. Het woord kapiteel is afgeleid van capitellum ofwel kopje.

Francesco di Giorgio
Codex

De Dorische orde werd als mannelijke gezien, de Ionische als vrouwelijk en de Corinthische als een meisje. Een Griekse tempel gewijd aan Zeus kreeg natuurlijk de Dorische orde.

Alberti en Brunelleschi waren dol op twee geometrische vormen: de cirkel en het vierkant. Deze vormen werden vaak in combinatie met elkaar gebruikt. Het vierkant is dan de plattegrond terwijl de koepel zoals in de Oude Sacristie de cirkel vormt. De combinatie, cirkel en vierkant, werd als een volmaakte synthese beschouwd.

De proto-renaissance in Florence –denk hierbij aan het Baptisterium of de San Miniato al Monte– heeft grote invloed gehad op de Renaissance. Toch waren de architecten niet geheel blind voor de klassieke fouten die in deze gebouwen waren gemaakt. Zo wees Brunelleschi de omgebogen architraaf van het Baptisterium af. Toch waren de architecten uit de Renaissance – dit geldt voor de vroeg renaissance tot ca. 1500- in één opzicht niet verder dan de onbekende bouwers van het Baptisterium. Op het platte vlak, het tekenvel, werden één of twee kanten of traveeën getekend. In het geval van het Baptisterium, een octagonale centraalbouw, één voor de drie zijden met de deuren en één voor de andere vijf. Hiermee was het ontwerp voltooid en het enige dat de bouwmeester dan met deze tekeningen hoefde te doen, was vermenigvuldigen zodat er een octagonale centraalbouw ontstaat. De architect werkte dus niet vanuit de ruimte, de drie dimensies, maar vanuit het platte vlak. Gek genoeg is dit precies wat de beeldhouwers ook deden zoals we onder meer bij Michelangelo nog zullen zien. In de bouwkunst leidt de boven beschreven werkwijze tot vreemde problemen wat onder meer te zien is bij het Palazzo Medici-Riccardi. In het paleis dat Cosimo door Michelozzo had laten bouwen, is in het binnenhof goed te zien tot welke vreemde hoeken dit leidt. Latere architecten spraken in dit verband over een foute hoekoplossing.

Pas op het einde van het quattrocento (vijftiende eeuw) zou Da Maiano bij het binnenhof van het Palazzo Strozzi voor het eerst de werkwijze vanuit het tekenvel verlaten en in drie dimensies gaan ontwerpen.

Michelangelo Buonarroti is niet alleen een overgangsfiguur in de schilder– en beeldhouwkunst, maar ook in de architectuur. In feite neemt hij afscheid van de Renaissance en begint met een volstrekt eigenzinnige architectuur waarin hij de vitruviaanse regels en de opvattingen van Alberti in de praktijk aan zijn laars lapt. Het moet zeker choquerend zijn geweest toen tijdgenoten zijn architectuur ‘bewonderden’ zoals de Nieuwe Sacristie of de ricetto van de bibliotheek van Laurenziana. De naam van Buonarroti was al tot zulke grote hoogten gestegen dat kritiek werd ingeslikt. Michelangelo is pas op vrij late leeftijd met architectuur begonnen. Vooral als hij ouder wordt en zijn hand trilt als hij de tekenstift hanteert en de beitel wel erg zwaar wordt, gaat hij steeds meer architectuurontwerpen maken. Er zijn enkele opmerkelijke architectuurschetsen van de hand van Michelangelo Buonarroti in het Casa Buonarroti te zien. Min of meer toevallig neemt Michelangelo de architectuur van de Nieuwe Sacristie op zich, want eerst zou hij alleen de grafwanden en beelden maken. Buonarroti wees het platte vlak als uitgangspunt van architectuurontwerpen af. Hij vond klei dat drie dimensionaal gekneed kan worden veel beter. Er is een bekende opmerking van Buonarroti in één van zijn vele nog bewaarde brieven over architectuur die luidt dat:

‘Er geen twijfel over bestaat dat de architectonische elementen de ledematen van de mens weerspiegelen en dat zij die het menselijke lichaam niet kennen, geen goede architecten zijn.’ Michelangelo uit een van zijn vele brieven (niet gedateerd).

Geciteerd en vertaald uit: James S. Ackerman, ‘The Architecture of Michelangelo’, Penguin Books,London 1971 (reprinted 1995) blz. 37.

De bovenstaande woorden lijken naadloos aan te sluiten bij de opvattingen van Vitruvius en Alberti. In werkelijkheid had Michelangelo een volstrekt andere aanpak. Hij werkte in zijn architectuurontwerpen niet vanuit het platte vlak, werkte nooit met een module, gaf in zijn tekeningen zelden maten aan en gebruikte geen passer en liniaal om de ideale proporties uit te rekenen.

De architectuur van Alberti en latere architecten is vrij statisch en gaat uit van het platte vlak en de ideale verhoudingen. Michelangelo gaat uit van de beweging, de mens die door een gebouw loopt. Hij denkt ruimtelijk zoals dit prachtig te zien is in zijn tekening voor een bastion bij de stadsmuren in Florence (Casa Buonarroti).

In deze tekening worden de richtingen die de kanonkogels kunnen bereiken aangegeven. Het uitgangspunt in deze tekeningen zijn de kanonnen die in alle richtingen gedraaid moeten kunnen worden om een aanval te weerstaan. Michelangelo kruipt bij deze ontwerpen in de huid van de mannen die de kanonnen bedienen, een geheel andere kijk dan die van het tekenvel. De perspectivische benadering van architecten als Alberti, Brunelleschi en Michelozzo is waarschijnlijk veroorzaakt door het enorme belang dat aan een goede tekenopleiding werd gehecht, die was de basis voor alle kunsten, zoals onder meer te lezen valt in de Commentarii van Lorenzo Ghiberti. Hier komt nog bij dat de architect Brunelleschi de uitvinder is van het perspectief. Het perspectief betekent per definitie een statisch uitgangspunt. Alleen vanuit één punt, recht voor het schilderij, komt het perspectief immers tot zijn recht. Dit is onder meer te zien bij de Triniteit van Masaccio: het eerste perspectivisch juist geschilderde werk.

Als je de San Lorenzo binnenkomt, is de werking van lijnen die naar één verdwijnpunt toelopen goed te zien. De lijnen van het vergulde houten plafond, de lijnen op de vloer en de architraaf boven de scheibogen lopen allen naar één verdwijnpunt toe achter het hoofdaltaar. Buonarroti verwierp deze statische benadering, zijn architectuur was dynamisch. Dit geldt nog niet voor zijn vroege architectuur zoals de Nieuwe Sacristie en de Laurenzianabibliotheek in Florence. In Rome maakt hij, op oudere leeftijd, pas ontwerpen die uitgaan van de mens die door een gebouw loopt. Dit is goed te zien in zijn ontwerp voor de San Giovanni dei Fiorentini in Rome dat helaas nooit verder is gekomen dan het papierenstadium. De kritiek op de perspectivische en statische benadering van de tekenaar uit zich onder meer in een aanval op de Duitse schilder Albrecht Dürer die enkele boeken voor kunstenaars geschreven heeft. De biograaf, Ascanio Condivi, citeert Michelangelo als volgt:

‘Albrecht behandelt alleen de maten en de variaties in het menselijk lichaam, geen echte regel kan hier uit worden gedistilleerd, zijn figuren voorstellende als een rechtopstaande paal [Teg: bedoeld is hier de proportieleer die afgeleid is van de ideale verhoudingen van het menselijke lichaam]. Maar wat veel belangrijker is, hij zegt niets over menselijke bewegingen en gebaren’

Ascanio Condivi, ‘The life of Michelangelo’, Hellmut Wohl (Edited), Pennsylvania State University Press University Park, Pennsylvania, 1976 (paperback 1999; oorspronkelijk uitgegeven in 1533) blz. 99

Michelangelo was vooral een beeldhouwer en dit is goed te merken aan zijn architectuur. Hij gebruikte klei om in te kneden en de bouwmassa te bepalen. De buigzaamheid van klei verwerpt in feite de mathematische relaties van een renaissancetekening op papier, waarbij nauwkeurig gerekend wordt om een modulair systeem en harmonische proporties te bewerkstelligen. Bovendien liet Buonarroti niet het muurvlak domineren zoals Brunelleschi en Alberti, maar dikke lagen –zuilen, pilasters, voluten en frontons- werden op of soms zelfs in het muurvlak gezet. Hierdoor verdwijnt het platte muurvlak en ontstaat er iets dat sterk doet denken aan sculptuur. Licht en schaduw spelen in deze sculpturale benadering een belangrijke rol zoals te zien is in de ricetto van de Laurenzianabibliotheek.

Maniërisme

Na Michelangelo begint het Maniërisme in de bouwkunst. In Florence is dit heden ten dage nog goed te zien. Zo hebben architecten als Ammanati en Buontalenti hun stempel op de stad gedrukt. Maniërisme in de architectuur betekent onder andere dat de vitruviaanse canon bewust werd geschonden. Segment-vormige frontons werden opengebroken en in het midden werd –in strijd met alle regels- een beeld geplaatst. Dit is onder meer bij een van de deuren, de Porta delle Suppliche, in het Uffizi te zien. In het binnenhof van het Palazzo Pitti, waarachter de Bobolituinen te vinden zijn, heeft Ammanati uiterst merkwaardige zuilen aangebracht. Deze architect lijkt de spot te drijven met de regels voor goede architectuur. Voor de kenners van deze regels moet het wel even slikken zijn geweest. De maniëristische architecten zagen het zelf als een bevrijding uit de knellende voorschriften. Zij konden eindelijk hun fantasie de vrije loop laten. Het Maniërisme is de voorloper van de Barok, die in Florence ook wel te vinden is. Toch is een bezoek aan Rome voor wat de Barok betreft meer voor de hand liggend, want hier kreeg de Barok voor het eerst vorm. Het was met name de eigenzinnige architect Borromini die de architectonische ideeën van Michelangelo verder doordacht en gebruikte. Heel anders dan een enigszins vrijmoedige spielerei met zuilen en frontons op een gevelwand zoals je dit bij het Maniërisme vaak ziet.

Resumerend kan het bovenstaande in het kort als volgt worden weergegeven:

  • In de Middeleeuwen kregen huizen onregelmatige plattegronden, er was weinig oog voor de stedelijke omgeving. Er was geen sprake van een systeem, er werd spontaan bijna organische gebouwd. Een complicerende factor die typisch is voor Italië is dat de sterke klassieke tendensen nimmer zijn verdwenen. Kerken als de San Miniato al Monte, Santi Apostoli en het Baptisterium, hoewel Romaans, hebben toch duidelijk klassieke elementen.
  • In de Renaissance komen klassieke vormen op –zuilen, pilasters, frontons etc.- en de klassieke (vitruviaanse) regels (modulair systeem en de proporties) worden langzaam maar zeker, algemeen als canon geaccepteerd en toegepast. Beroemde architecten als Brunelleschi en Alberti hebben een voorkeur voor geometrische grondvormen, vooral het vierkant met een ingeschreven cirkel: de koepel.
  • Na ca. 1500 wordt architectuur niet langer meer vanuit het platte vlak (tekenvel) ontworpen, maar driedimensionaal. Michelangelo, een overgangsfiguur, verwerpt de statische benadering van de architectuur uit de Renaissance. Architectuur wordt ontworpen vanuit de mens die door een gebouw loopt. Dit geldt nog niet voor de architectuur die Buonarroti in Florence ontwierp.
  • De vitruviaanse canon wordt door hem niet langer meer gerespecteerd zoals dit al wel te zien is in Buonarroti’s architectuur in Florence. Wanden worden niet langer meer als platte en min of meer neutrale muurvlakken behandeld, maar als sculptuur.
  • Ammanati en Buontalenti lijken in de zestiende eeuw bijna te spotten met de ‘architectuurbijbel van de Renaissance’ die door Vitruvius in ongeveer dertig v. Chr. geschreven was en door Alberti in zijn ‘De re Aedificatoria’ in de vijftiende eeuw herbevestigd. Toch zullen deze architecten zich nog niet wagen aan de revolutionaire architectonische opvattingen van Michelangelo. Zij blijven in wezen vrij oppervlakkig spelen met de regels en dan voornamelijk aan de buitenzijde van hun gebouwen. Het is met name de architect Borromini geweest, die de verstrekkende ideeën van Michelangelo consequent doordacht en verder (in Rome) zou toepassen, zij het wel op een heel eigen wijze.

Einde van Florence Architectuur in vogelvlucht