Architectuur in Florence 1/2

De ontwikkeling in de geschiedenis van de bouwkunst in Italië wijkt af van de architectuur  ten Noorden van de Alpen. Hoewel er duidelijk sprake is van een  romaanse en gotische stijl in Italië hebben de klassieken altijd – ook in deze perioden- een stempel op de architectuur gedrukt, al was het alleen al vanwege het veelvuldige gebruik van klassiek materiaal: marmer. Denk maar aan de San Giovanni (Baptisterium), die volgens  doorgewinterde architecten als Alberti en Brunelleschi een echte klassieke tempel was. Voor dit idee valt het nodige te zeggen.

In de Middeleeuwen en voor Florence geldt dit vooral na 1250 als de stad een fenomenale groei doormaakt, was de architectuur nog weinig doordacht. Zo werd er nauwelijks of geen rekening gehouden met de stedelijke context. De ramen van meerdere aan elkaar grenzende huizen verschillen sterk van hoogte, vorm en grootte en lijken vrij willekeurig geplaatst. Dit geldt, zoals dit te zien is bij het Bargello en het Vecchio, ook vaak voor de gevelwand van één gebouw.

Het stratenpatroon in de Middeleeuwen is grillig, de straatjes zijn vaak smal en kronkelig; het geheel doet denken aan een labyrint. Dit kun je in Deventer in het Bergkwartier ook nog zien. In Florence is de oorspronkelijk heldere opzet van het Romeinse castrum nog wel duidelijk te zien, maar de middeleeuwer heeft hier flink aan geknaagd en zeker buiten het oude castrum is van enige logica nauwelijks sprake.

De palazzi uit de Middeleeuwen hebben een onregelmatige plattegrond. Het kavel dat men had aangekocht bepaalde de vorm van de plattegrond. Daar er gebouwd moest worden in een oude stad betekende dit bijna altijd een kavel met vreemde hoeken en afsnijdingen. Zo was er dan ook geen sprake van een geordende plattegrond. Aan de buitenzijde van de Palazzi zijn vaak elementen uit gotische kerken of burchten zoals bifore vensters en rustica terug te vinden.

Op het einde van de dertiende eeuw, dus nog in de Middeleeuwen, kwam wel langzamerhand de gedachte op aan meer ordening. Zo werd het verplicht om in enkele straten bij de Duomo (kathedraal) ramen op gelijke hoogte te bouwen waardoor een rij aangrenzende huizen er meer als een eenheid kwam uit te zien. Maar de echte doorbraak naar een geordende plattegrond, gevel en het rekening houden met de stedelijke context vond pas in de vijftiende eeuw plaats.

Na 1400 werden in de architectuur de klassieke elementen bewust en volgens de klassieke regels ingevoerd. Dit gebeurde ook al in de proto-renaissance (de voorloper van de Renaissance) in kerken zoals de San Miniato al Monte, de Santi Apostoli en de San Giovanni, maar echt begrepen werd de klassieke bouwtaal niet. Deze kerken uit de Romaanse tijd die zo klassiek aandoen, vertonen fouten die geen enkele klassieke architect zou maken. Pas in de Renaissance dus na 1400 werden de klassieken nauwkeurig bestudeerd. Alberti maar ook Brunelleschi hebben lange tijd in Rome gezeten en de ruïnes of nog bestaande klassieke gebouwen zoals het Pantheon opgemeten en nauwgezet bekeken. Naast deze praktische benadering werd het enige nog overgebleven handboek voor architecten uit de Oudheid grondig bestudeerd en van commentaar voorzien.

Youtube Klassieke bouworde Khan  Accademy (11.07 minuten)

De Romeinse architect  Vitruvius heeft met zijn, ‘Handboek bouwkunde’, of zoals het oorspronkelijk getiteld was, ‘De Architectura’, de grondbeginselen van de architectuur in tien boeken netjes op een rij gezet en uit de doeken gedaan. Zo schrijft deze architect onder meer over de theorie van de architectuur, de juiste manier om een stad aan te leggen, bouwmaterialen, Ionische en Dorische tempels en openbare gebouwen. Dit boek uit ca. dertig v. Chr. is van immens belang voor de geschiedenis van de bouwkunst. Zelfs in het huidige postmodernisme keert dit boek weer terug. Alberti is de eerste geweest die na ca. duizend jaar weer theoretische boeken over kunst heeft geschreven waaronder zijn, ‘De re Aedificatoria’, (Over Bouwzaken) uit 1452. Hoewel dit boek pas in 1485 gepubliceerd werd, circuleerden er onder architecten al enkele manuscripten.  Alberti’s boek is niet slechts een weergave van de opvattingen van Vitruvius, maar hij geeft een algemeen kader waarbinnen de architect verantwoorde en goede gebouwen kan ontwerpen.

Dit kader wordt vaak vergeleken met de grammatica. Het is een middel om de woorden in de juiste volgorde te rangschikken. Zo hoorde de architect ook te werk te gaan. Hij moet de verschillende onderdelen van een gebouw -de klassieke vormen- goed ordenen. Dit betekent net als in de taal dat er eindeloze zinnen en verhalen gemaakt kunnen worden. Hiermee is ook verklaard dat het gebruiken van de klassieke ‘grammatica’ van de architectuur niet wil zeggen dat een architect uit de Renaissance slechts klassieke architectuur kopieerde. In de Renaissance werden de klassieke bouwelementen binnen de klassieke bouwgrammatica gebruikt, maar het resultaat was echt nieuw. Er zijn in de Oudheid geen voorbeelden te vinden van Brunelleschi’s Pazzi-kapel, zijn Oude Sacristie, Alberti’s gevel van de Santa Maria Novella en Michelangelo’s Nieuwe Sacristie of zijn bibliotheek.

De klassieke ‘grammatica’ kent onder meer twee hoofdregels, die voor elke architect een imperatief waren. De eerste van deze regels verwoordde Vitruvius in zijn derde boek van ‘De Architectura’ als volgt:

‘Het natuurlijke middelpunt van een lichaam is de navel. Als een mens op de grond ligt met gespreide armen en benen, en men trekt vanuit de navel als middelpunt met een passer een cirkel, dan zullen zijn vingers en tenen de omtrek raken. Zoals het lichaam in de figuur van een cirkel past, zo zal men er evenzeer de lijnen van een vierkant in ontdekken. Wanneer het van de voetzolen tot de bovenkant van de schedel wordt gemeten en deze maat wordt vergeleken met de uitgestrekte armen, zal men dezelfde hoogte als breedte vinden, net als bij een vlak dat met de winkelhaak vierkant is uitgezet.’

Vitruvius, ‘Handboek bouwkunde’, Athenaeum-Polak&Van Gennep, Amsterdam 1997, blz. 86 (Boek III)

Leonardo da Vinci maakte zijn beroemde tekening (naar Vitruvius). De opvattingen van Vitruvius die zijn gebaseerd op de Grieken, Pythagoras en Plato, gaf Leonardo da Vinci vorm in een tekening voor zijn vriend en wiskundige Fra Luca di Pacioli:

Deze monnik uit Florence had de ideeën over de harmonie –waar het menselijke lichaam een voorbeeld van was- als goddelijke wetten geduid, die de grote Schepper in de natuur had gelegd. Het sprak voor zich dat een goede architect deze goddelijke verhoudingen –de titel van Pacioli’s boek, ‘Divina Proportione’ spreekt duidelijke taal- ook volgens deze universele goddelijke proporties ontwerpen moest.

Fra Luca di Pacioli:

Maar hoe moet een architect het advies van Vitruvius in de praktijk nu vorm geven? De visie van ene Francesco di Giorgio doet wel erg gekunsteld aan. De oplossing lag niet zozeer in het menselijke lichaam. Niet de mens was het uitgangspunt van een gebouw, maar wel de onderlinge verhoudingen van de lichaamsdelen van een mens. Hierbij moet de lezer wel bedenken dat men van het ideale lichaam uitging: de perfect geproportioneerde mens zoals de Grieken die al in 480 v. Chr. beeldhouwden. Polyclitus had in zijn, ‘Canon’, al geschreven dat het menselijke hoofd 1/7, het middel 1/5 (enzovoort) van het lichaam was. Zijn beroemde beeld, de Doryphores, is een illustratie in marmer van het perfect menselijk geproportioneerde lichaam.

Voor gebouwen moest het modulaire systeem (Vitruvius spreekt van proportio) toegepast worden. Dit was een middel om de volmaakte harmonie van de verschillende onderdelen – net als bij het menselijke lichaam- met het geheel te combineren. Denk maar aan de gevel die Alberti voor de Santa Maria Novella ontworpen had. In het modulaire systeem neem je een module als vaste maat, bijvoorbeeld de viering van een kerk zoals Brunelleschi dit deed bij de Santo Spirito. Deze module wordt dan gedeeld of vermenigvuldigd, waarbij één staat tot twee een populaire verhouding was. De travee in de zijbeuk wordt dan bijvoorbeeld de helft van de travee van het schip. Zo wordt elk onderdeel van de kerk afgeleid van de module en ontstaat er een harmonische eenheid.

Hiermee zijn we bij de tweede hoofdregel gekomen. De proporties van de verschillende bouwonderdelen zijn niet willekeurig, maar zijn gebaseerd op vaste verhoudingen. Ook dit gaat terug op Pythagoras en Plato. Pythagoras had ontdekt dat als er twee snaren zijn waarbij de eerste twee keer zo lang is als de tweede, de toon van de lange snaar ook precies twee keer zo laag is. Zo ontstaat wat in de muziek een octaaf wordt genoemd: een verhouding van één staat tot twee. Tussen de lengte en het geluid was dus een duidelijk verband. Uit deze verrassende ontdekking van Pythagoras concludeerden de Grieken dat de gehele natuur, ja zelfs de hele kosmos volgens bepaalde proporties –wiskundig als het ware- in elkaar zat.

Pythagoras onderzoekt de wetmatigheden van toonsafstanden.
Houtsnede uit Theorica Musicae van Franchinus Gafarius
Milaan
1492
Pythagoras onderzoekt de wetmatigheden van toonsafstanden. Houtsnede uit Theorica Musicae van Franchinus Gafarius Milaan 1492

 

De architect moest ook binnen het modulaire systeem (regel één) de goede verhoudingen (Vitruvius gebruikt de term ‘symmetria’ en de Grieken het woord ‘analogia’) toepassen. Dit is de tweede regel. De proporties die de architecten uit de Renaissance toepasten, zoals Alberti in zijn gevel van de Santa Maria Novella, vind je ook terug in de muziek. De octaaf (één staat tot twee), de kwint (twee staat tot drie) of het kwart (drie staat tot vier). Vitruvius verwoordde de twee hoofdregels waaraan elke architect behoorde te voldoen als volgt:

‘Het concept van een tempel berust op evenwichtige verhoudingen (symmetria),waarvan architecten de principes uiterst nauwgezet moeten volgen. Deze wordt voortgebracht door proportio, die in het Grieks analogia genoemd wordt. Proportio is het nemen van een vastgestelde maateenheid [Teg: module], waarmee de onderdelen van het gebouw op elkaar en op het totaal worden afgestemd. Hieruit resulteert het systeem van de evenwichtige verhoudingen. Zonder symmetria [Teg: evenwichtige verhoudingen bijvoorbeeld een octaaf: één staat tot twee] en proportio kan geen enkele tempel een doordacht ontwerp hebben; dat kan alleen als er tussen de geledingen onderling een nauwkeurig afgewogen verhouding geldt, precies als bij een goedgebouwd mensenlichaam. De natuur heeft namelijk het lichaam van de mens zo vormgegeven, dat zijn gezicht vanaf de kin tot de bovenkant van het voorhoofd, waar het haar begint, een tiende van het hele lichaam is, even lang als bij gestrekte hand de afstand tussen de pols en het topje van de middelvinger. […] Door van dit alles [Teg: verhoudingen van het menselijke lichaam] gebruik te maken hebben bekende schilders en beeldhouwers uit vroegere tijden voor altijd grote faam verworven.’

Vitruvius, ´Handboek bouwkunde’, Athenaeum-Polak&Van Gennep, Amsterdam 1997 blz. 85-86. (Boek III)

Naar de volgende bladzijde