Beeldhouwkunst in Florence

Beeldhouwers als Arnolfo di Cambio – ook de ontwerper van de stadsmuren en de Duomo – staan nog duidelijk aan het begin van een lange ontwikkeling. In de Opera del Duomo zullen we enkele beelden van hem bekijken. Zijn beelden waaronder de Paus Bonifatius VIII (ca.1298) laten nog duidelijk de hoekige vormen van het oorspronkelijke marmerblok zien.

 Arnolfo di Cambio
Bonifatius VIII
ca. 1298
achterzijde
mouseover
 Arnolfo di Cambio Bonifatius VIII ca. 1298

De figuren zijn onnatuurlijk en stijf. Arnolfo werkte zoals elke beeldhouwer volgens wat Vasari omschreef als de ‘badkuip-methode’. Vasari, een vriend van Michelangelo en schrijver van een beroemd tiendelig boek, ‘De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten’, beschreef deze werkwijze als volgt:

‘[…] men doet alsof men een figuur neemt, van was of van een ander stevig materiaal, een figuur die men vervolgens languit in een kom water zou leggen, water dat aan de bovenzijde uiteraard vlak en glad is, waarna men de figuur stukje bij beetje naar het oppervlak zou opheffen, zodat eerst de meest uitspringende delen bovenkomen, terwijl de onderliggende, dat wil zeggen de laagste delen,verborgen blijven, net zo lang tot de figuur aldus in haar geheel aan het licht is gekomen.’

Giorgio Vasari, ‘De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten Van Cimabue tot Giorgione’, Contact, Amsterdam, deel II 1992 blz. 283

De beeldhouwer begint dus altijd aan de voorzijde van het blok en hakte vanaf hier naar de achterkant. Deze werkwijze zullen we op oude reliëfs bij de Or San Michele of  de Campanile nog zien afgebeeld.

Een ingrijpende vernieuwing in de beeldhouwkunst vindt in het begin van de vijftiende eeuw plaats met beeldhouwers als Nanni di Banco, Ghiberti, Verrocchio, maar vooral Donatello. Belangrijke opdrachten voor beeldhouwers waren de deuren van het Baptisterium, de beelden voor nissen van de Duomogevel, de Campanile bij de Duomo, de Orsanmichele en het Piazza della Signoria (Vecchio). De Guelfen wilden een mooie stad en daar horen ook beelden bij. Kenmerkend van deze nieuwe fase in de beeldhouwkunst – de Renaissance – is de grote hang naar natuurgetrouw afbeelden.

Het ‘imitatore della natura’ is ‘imitatione del vero’ (imiteren van het ware) werd het opperste gebod voor de schilder of de beeldhouwer uit het quattrocento  (vijftiende eeuw, de Renaissance). Hierbij werd wel de natuur geperfectioneerd en geïdealiseerd, zoals dit te zien is bij de beelden van David van Donatello of Michelangelo. Het duurde lang voordat beeldhouwers en schilders zoiets werkelijk onder de knie hadden. Steen en met name verf op een plat doek zijn wel erg beperkte middelen om de natuur na te bootsen.

Youtube Khan Academy  Ideale proporties menselijk lichaam (5.07 minuten)

Donatello was een van de eersten die in de ontwikkeling van het juist weergeven van de werkelijkheid belangrijke ontdekkingen deed. Zijn reliëfs en beelden getuigen van een voor die tijd ongekend realisme. Zijn figuren zijn menselijk weergeven:  zij zingen, lachen, dansen, zijn intens bedroefd of geschokt.

Op technisch gebied zorgde Donatello voor belangrijke doorbraken. Hij is de uitvinder van het rilievo schiacciato, laagreliëf, en goot als eerste sinds meer dan duizend jaar weer een levensgroot naakt bronzen beeld. Donatello is weliswaar een renaissancebeeldhouwer, maar één die wel sterk afwijkt van wat in die tijd gebruikelijk was.

Ghiberti voldeed pas met zijn tweede werk – ‘de paradijspoort’, de bronzen deuren aan de oostzijde van het Baptisterium – aan regels van een ware kunstenaar uit de Renaissance.

Alberti – de architect van de gevel van de Santa Maria Novella en het beroemde Palazzo Rucellai – had in zijn boek, ‘De Pictura’, (Over de  schilderkunst) uit 1435 al beschreven hoe een schilder en ook beeldhouwer een verhaal in verf of steen hoorde weer te geven:

‘Ik noem een historisch schilderij [of reliëf ] zeer rijk als er op de juiste plaatsen een gevarieerdheid is aan oude mannen, jonge mannen, jongens, vrouwen, meisjes, kippen, vee, vogels, paarden, schapen, gebouwen, vergezichten en meer van dat soort dingen.

Alberti, ‘De Pictura’, 1435

Het verschil tussen Ghiberti – die na ca. 1425 als een renaissancekunstenaar te werk ging – en Donatello die ook tot de Renaissance behoorde, is aanzienlijk. Bij Donatello staat de menselijke emotie centraal daaraan worden de regels van Alberti ondergeschikt gemaakt of zelfs hier en daar geweld aangedaan. Donatello’s benadering is duidelijk te zien bij zijn bronzen reliëfs van de preekstoelen in de San Lorenzo, maar daarover later meer.

Een leerling van Donatello, Giovanni di Bertoldo, is de schakel tussen Donatello en Michelangelo. Bertoldo gaf de jonge Michelangelo, waarschijnlijk van zijn dertiende tot en met zijn vijftiende jaar, in de beeldentuin van Lorenzo il Magnifico les in beeldhouwen. Buonarroti zoals de achternaam van Michelangelo luidt, wordt als beeldhouwer, maar ook als architect en schilder het lichtend voorbeeld voor generaties kunstenaars, net als een tijdgenoot van hem Leonardo da Vinci.

Als beeldhouwer hanteerde Michelangelo de ouderwetse methode zoals zijn vriend Vasari die beschreven had. Michelangelo perfectioneerde deze oude werkwijze onder andere door zijn enorme kennis van het menselijk lichaam. Deze anatomische kennis, waar aderen, pezen, spieren en botten in het lichaam lopen, gebruikte hij bij het hakken om de juiste weg bij een been of arm in het marmerblok te vinden. Dit lukte meestal vrij goed, maar als Michelangelo, die altijd maar één blok marmer gebruikte, vier figuren uit één blok haalt, gaat het mis.

Zo’n mislukking zullen we in de museum, Opera del Duomo, aantreffen bij een ‘Pietà’, die Michelangelo voor zijn eigen graf gehakt heeft. Michelangelo bereikte ongekende hoogten in het nauwgezet afbeelden van een menselijk (wel een geïdealiseerd) lichaam, zoals dit te zien is bij zijn David. Wat dit betreft is hij een echte renaissancekunstenaar, maar in andere opzichten en dit geldt ook voor zijn architectuur en schilderkunst, is Michelangelo een voorloper van het Maniërisme.

Michelangelo Pietà

Maniërisme in de beeldhouwkunst betekent onder meer dat de gebeeldhouwde lichamen ingewikkelde houdingen hebben, meestal is dit een soort spiraal of zoals de Italianen dit noemen een figura serpentinata. Dit is bij beelden als de ‘Overwinning’ (in het Palazzo del Vecchio), ‘Stervende Slaaf’ (Accademia) of een kleimodel van ‘Hercules en Cacus’ (Casa Buonarroti) van Michelangelo  duidelijk te zien. Beeldhouwers als Giambologna en Cellini borduren op de figura serpentinata van Michelangelo voort en ontwikkelen een nieuwe stijl: het Maniërisme. Zo maakte Giambologna zijn marmeren beeld, ‘De Sabijnse Maagdenroof’, in de Loggia dei Lanzi aan het Piazza della Signoria.

Giambologna
De Sabijnse Maagdenroof

Door het gebruik van een model van klei konden Cellini en Giambologna wel beelden maken met meerdere figuren, die perfect kloppen. Michelangelo kon dit niet bereiken. Hij gebruikte geen klei -of wasmodel op ware grootte als meetmodel, zodat hij niet tijdens het hakken kon nameten en controleren of het hakwerk wel  overeenkwam met het model. Een derderangs kunstenaar als Bandinelli overtrof Michelangelo in een groepsbeeld, ‘Hercules en Cacus’, dat naast de ‘David’ van Michelangelo staat, eenvoudig omdat Bandinelli waarschijnlijk wel een meetmodel gebruikte. Je zult zien dat de figuren Hercules en Cacus van Bandinelli wel kloppen, maar dat het absoluut geen groot kunstwerk is geworden.

Cellini tenslotte goot als eerste een meer dan levensgroot beeld, Perseus, met de kop van Medusa in zijn uitgestrekte hand. Cellini gaat hier in zijn autobiografie vrij uitvoerig op in. Zo schrijft hij over de problemen die optreden tijdens het gieten van de levensgrote Perseus – nadat hij midden in de nacht door zijn helpers is wakker gemaakt vanwege oververhitting van de oven waardoor problemen met het gieten ontstonden – het volgende:

‘Ik merkte echter dat het metaal niet zo snel als gewoonlijk naar beneden vloeide en dat de oorzaak hiervan misschien was dat de legering door het hevige vuur was verteerd. Daarom liet ik al mijn tinnen borden, schotels en schalen, ongeveer tweehonderd stuks, halen en een deel daarvan één voor één voor de afloopkanalen werpen, en een ander deel midden in de oven.’

Benvenuto Cellini, ‘Het leven 1500-1571 van Benvenuto Cellini Florentijn door hemzelf verteld’, Querido, Amsterdam, 1969 blz. 364. (voor het eerst in 1728 in druk verschenen, eind zestiende eeuw geschreven door Cellini)

Resumerend laat de bovengeschetste ontwikkeling van ca. 1250 tot 1600 zich in steekwoorden als volgt samenvatten:

  1. Eerst overheerst het vierkante blok, figuren komen er niet los van, ze zijn stijf en wat betreft verhoudingen, laat staan anatomisch, niet correct.
  2. In de loop van de Renaissance verbetert dit sterk door kunstenaars als Donatello en Ghiberti. Toch blijven er grote problemen door de ouderwetse werkwijze (‘badkuipmethode’). Dit is niet te zien bij de bronzen beelden, maar wel bij de marmeren. Donatello’s bronzen ‘David’ is bijna perfect in tegenstelling tot zijn marmeren ‘David’.
  3. Op het einde van de vijftiende eeuw zal Michelangelo door zijn anatomische kennis van spieren, pezen, botten onder de huid zijn marmeren beelden perfect weergeven. Hiermee bereikte het ‘imitatore della natura’ een hoogtepunt.
  4. In zijn verdere ontwikkeling legt Michelangelo – na 1525 – de basis voor een nieuwe periode in de kunst: het Maniërisme. Hierbij zijn figuren vaak met een spiraalachtige draaiing (soort kurkentrekker of zoals het in de kunst genoemd wordt een figura serpentinata) weergeven. Een beeldhouwer als Giambologna heeft zijn stempel gedrukt op het Piazza della Signoria met zijn ruiterstandbeeld en zijn beroemde: ‘Sabijnse Maagdenroof.’
  5. Gianlorenzo Bernini voerde het nabootsen van de natuur tot ongekende hoogte op. Hij bereikte effecten in marmer die alleen leken te zijn voorbehouden aan het werken met klei (brons) Zie hiervoor Rome: onder Bernini of Musea: Villa Borghese.

Naar dag 3 van Beeldhouwkunst in Florence