Fra Angelico en de San Marco 3/10

De predella van het altaarstuk voor het koor van de San Marco

In de predella wordt het verhaal van de tweelingbroers in acht panelen uit de doeken gedaan. Het negende in het midden was de bewening en graflegging.

bewening en graflegging
Alte Pinakothek
München

Cosmas en Damianus zijn als onderwerp voor een predella van een hoofdaltaar zeer uitzonderlijk. Angelico weet een handige link te leggen tussen de verhalende scènes in de predella, Marcus in het hoofdpaneel en de dominicanen. Hij laat Cosmas en Damianus zien als predikers van het ware geloof. De tweelingbroers deden dus waartoe Christus zijn apostelen had opgeroepen zoals in Marcus 6: 2-13  staat. De verhalen over de Cosmas en Damianus hoorde Fra Angelico elk jaar twee keer in de kapittelzaal. Ze werden voorgelezen uit het brevier van de dominicanen dat was gebaseerd op de Legenda Aurea (wel even scrollen voor het verhaal van Cosmas en Damianus). De verhalen die Angelico kende, beeldt hij ook af in de predella op één na: het verhaal over de slang wordt weggelaten.216

Dit komt overeen met de manier waarop het verhaal ’s ochtends in de kapittelzaal werd voorgelezen.217 Ook hier werd het verhaal van het wonder van de slang niet voorgelezen. In acht delen wordt het verhaal zo geschilderd dat het precies bij de liturgie van de dominicanen past. Angelico benadrukte de deugden van de tweelingbroers. Helaas zijn de panelen van de predella over meerdere musea in de wereld verspreid. Het verhaal begint met de genezing van de vrouw Palladia. Als dank voor haar genezing bezweert zij Damianus om geld aan te nemen. Als Cosmas dit verneemt, wil hij niet meer met Damianus in dezelfde aarde begraven worden. ‘Maar de volgende nacht verscheen de Heer aan Cosmas en verontschuldigde Damianus bij hem vanwege het aangenomen geschenk.’

genezing van Palladia
National Gallery of Art
Washington DC

 

Onze heiligen worden vanwege hun wonderen beroemd. Lisias de proconsul werd nieuwsgierig naar deze broers en …

[…] gaf hun bevel hun broers te halen en dan samen met hen te offeren aan de afgodsbeelden. Maar van offeren wilden zij niets weten en zo gelastte hij om hen aan handen en voeten zwaar te martelen. De broers lachten dit soort martelingen weg, waarna hij ze in ketens liet slaan en in zee liet storten. Maar meteen werden ze door een engel uit zee bevrijd en voor de rechter gebracht.

De rechter bekeek de zaak en zei: ‘Grote goden! Het is magie waardoor jullie winnen, want jullie malen niet om martelingen en brengen de zee tot bedaren! Leer mij die magie van jullie en in naam van de god Adrianus zal ik jullie volgen!’ Hij was amper uitgesproken of er verschenen twee demonen die hem een geweldige klap in het gezicht verkochten.’

Jacobus de Voragine, ‘De hand van God De mooiste heiligenlevens uit de Legenda Aurea,’ (vertaling van Vincent Hunink en Mark Nieuwenhuis) Atheneum-Polak&Van Gennep, Amsterdam 2006 blz. 216

de begrafenis van Cosmas en Damianus
Museo di San Marco

De laatste twee panelen zijn nog in de San Marco te zien. De begrafenis van de broers en het wonder dat zij na hun dood verrichtten. Er lag een de man te slapen met een been dat door de tering sterk was aangetast en daar…

‘[..] verschenen Cosmas en Damianus bij hun toegewijde dienaar met verschillende soorten zalf en instrumenten. ‘Waar halen we nu vlees vandaan?’ vroeg de een aan de ander. ‘Als we het rotte vlees wegsnijden moeten we de lege plek wel opvullen! ’Op het kerkhof van de heilige Petrus-in ketenen,’ zei de ander. Daar is net vandaag een neger begraven. Haal daar maar wat weg om bij deze man aan te vullen.’ En ja hoor, zo ging hij vlug naar het kerkhof en bracht een heup van de Moor mee terug.

De heiligen amputeerden de heup van de zieke, vervingen die door de heup van de Moor, zalfden de wonden zorgvuldig en brachten de heup van de zieke aan bij de Moor. Toen de man wakker werd zonder pijn te voelen legde hij de hand op de heup: geen wond te bespeuren! Hij hield er een kaars bij en zag dat er met het been niets mis was.’

Jacobus de Voragine, ‘De hand van God De mooiste heiligenlevens uit de Legenda Aurea,’ (vertaling van Vincent Hunink en Mark Nieuwenhuis) Atheneum-Polak&Van Gennep, Amsterdam 2006 blz. 218

Cosmas en Damianus genezen de deken Justinianus
Museo di San Marco

Voorwaar een heel bijzonder wonder. Zo deden Cosmas en Damianus precies wat de dominicanen deden: zij predikten het woord van de Heer door het goede voorbeeld te geven.

Cosimo keek vast met genoegen naar de predella en kon het verhaal lezen en begrijpen. Wat hij zeker niet begreep was de symboliek in het hoofdaltaar. Christus als heerser, de kruisiging er onder en de bewening of graflegging daar weer onder als een ware brug naar de hemel. Dit konden alleen de goed geschoolde monniken begrijpen. Catharina van Siena was een non van de derde orde van de heilige Dominicus. In haar dialogen, hoofdstuk eenentwintig, beschrijft Catharina wat bedoeld wordt met het kruis als de brug naar de hemel (hier in een Engelse vertaling te lezen). Het komt er kort gezegd op neer dat door het offer van Christus aan het kruis het mogelijk werd om in de hemel te komen. Catharina gebruikt het woord brug als een metafoor voor het kruis. De goede christen kan door de kruisiging de brug tussen aarde en hemel oversteken en zo in het hemelse paradijs komen.218

San Marco
hoofdaltaar

Afbeeldingen van Maria waren gebaseerd op de traditionele bronnen: de gezangen van Salomon (Hooglied) en het boek Ecclesiasticus ook wel Jezus Sirach genaamd (in het bijzonder hoofdstuk vierentwintig). Op de mantel van Maria heeft Angelico de volgende tekst geschreven: ‘Ik ben de moeder van prachtige liefde … en van heilige hoop. Als een wijnrank die liefde laat ontluiken en mijn bloesems worden glorieus en uitbundig fruit.’219 Hier spreekt de wijsheid als vrouw gepersonifieerd. Dit is de enige tekst die in het altaarstuk te vinden is. Op de achtergrond hoog in het beeldvlak schilderde Angelico guirlandes met witte en rode rozen. In de tuin zijn palmbomen en cipressen te zien. Dit zijn in verf vertaalde woorden waarmee de wijsheid zich in Ecclesiasticus vergelijkt. (Lofprijzing van de wijsheid)

Angelico schilderde een hortus conclusus ofwel een gesloten tuin die zich uitsterkt tot aan de zee. Dit laatste is een subtiele toespeling op de hymne waarin Maria begroet wordt als maris stella ofwel ster van de zee. Maria als moeder van God, als de troon van de wijsheid, als de beschermster van de orde en als personificatie van de kerk (voor meer informatie en een Nederlandse vertaling van Gegroet, sterre der zee, de klik hier).

Het Ave Maris Stella is hier te beluisteren.

Het altaarstuk heeft een dubbele bodem: een verhalende en een symbolische. Het eerste in de predella is goed te begrijpen, maar voor de symbolische betekenis is veel kennis nodig. Voor de broeders die de eucharistie en de liturgie, elke dag acht keer, voor het hoofdaltaar opvoerden, had de symboliek geen geheimen. Zij werden tijdens de acht getijden of koorgebeden terwijl ze hymnen zongen, psalmen voorlazen juist geïnspireerd door het altaarstuk van hun broeder: Fra Angelico.

mouseover

foto’s: Lawrence OP

Kenmerkend voor altaarstukken van de dominicanen is dat zij verwijzen naar de orde zelf. Dit is wat, Hood, die een monografie over Fra Angelico en de San Marco geschreven heeft, traditio noemt.220 Zo meenden de dominicanen dat zij van God zelf de opdracht hadden gekregen om te preken. Dit is ook wat Angelico schildert met Marcus die zijn evangelie laat zien. In de predella zie je Cosmas en Damianus het woord verkondigen en het goede voorbeeld geven. Zij voeren de woorden van de heilige Dominicus uit: ‘ga de wereld in en verkondig het goede nieuws.’

Waarom zijn Laurentius, Cosmas en Damianus afgebeeld? Het zijn naamheiligen van de familie Medici. Cosimo had Cosmas als naamheilige en hij was het die de ingrijpende verbouwing betaalde. Ook had hij de uitgebreide collectie manuscripten in de bibliotheek ondergebracht. Waarschijnlijk konden de broeders en Angelico er niet onderuit om juist deze heiligen af te beelden.

 

Maria en de dominicanen

Maria is niet alleen op het hoofdaltaar afgebeeld, maar ook in het dormitorium. Hier twee keer in de gangen waaronder het meesterwerk van Fra Angelico: de Aankondiging. In de cellen is zij ook meerdere malen te zien vaak bij een kruisiging. Nu was Maria in de hele kerk en vooral onder de gewone gelovigen zeer populair, maar voor de dominicanen was zij bijzonder belangrijk. In de Vitae fratrum (het leven van de broeders) in het begin van hoofdstuk één wordt een opmerkelijke gebeurtenis beschreven. God is kwaad op de mensheid en denkt er over om de wereld ten onder te laten gaan. Humbert van Romans heeft dit beschreven onder de titel: ‘de orde was de vrucht van de gezegende gebeden van Maria.’ Dit was, aldus de dominicaan Humbert van Romans, natuurlijk de orde die in 1226 werd opgericht door Dominicus.

In de Legenda Aurea, geschreven om te worden voorgelezen in de kapittelzalen van de dominicanen, wordt het visioen dat Dominicus kreeg over God ook beschreven.

‘Hij (God) stond in de lucht met drie lansen in de hand die Hij tegen de wereld schudde. Zijn Moeder kwam snel naar Hem toe en vroeg wat Hij van plan was. ‘Zie,’ sprak Hij, ‘heel de wereld is vol van drie zonden: hoogmoed, erotische begeerten en hebzucht, en daarom heb Ik hier drie lansen waarmee ik de wereld wil vernietigen.’ De Maagd viel hem voor de voeten. ‘Allerliefste Zoon,’ sprak zij, ‘heb erbarmen! Temper je rechtvaardigheid met barmhartigheid!’ ‘Maar ziet u dan niet hoeveel onrecht de mensen Mij doen?’ ‘Matig je woede, lieve Zoon, en wacht nog even af. Ik heb namelijk een trouwe dienaar en flinke vechter, die de wereld zal afgaan en veroveren en onder Uw heerschappij zal brengen! Ik geef hem ter ondersteuning nog een andere dienaar mee, die samen met hem evenzo strijd zal leveren. ‘Goed,’sprak de Zoon, ‘Ik ben weer kalm, Ik zie u naar de ogen. Maar Ik zou graag de mannen zien die u voor zo’n grote taak wilt bestemmen.’ Daarop wees zij Christus op de heilige Dominicus. ‘Werkelijk,’ sprak Christus, ‘dat is een goede, flinke vechter! Hij zal ijverig doen wat u zei.’

De andere dienaar was Franciscus. Jacobus de Voragine, ‘De hand van God De mooiste heiligenlevens uit de Legenda Aurea,’ (vertaling van Vincent Hunink en Mark Nieuwenhuis) Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2006 blz. 170

De dominicanen werden hier elke nacht aan herinnerd tijdens het Salve Maria. Dit was een processie die van het koor naar het Maria altaar in de lagere kerk (zie plattegrond) ging, waarbij het Salve Maria gezongen werd. (Wikipedia: Latijn en de Nederlandse vertaling) en gregoriaanse uitvoering: Het Ave Maria is hier te beluisteren.

Niet alleen het ontstaan van de orde hadden de dominicanen aan Maria te danken, maar ook hun zwart en witte habijt. Angelico heeft rond 1435 een visioen van Dominicus geschilderd. Maria verscheen aan hem om de habijten van zijn orde te overhandigen. Het wit staat voor de zuiverheid en het zwart voor de zonde. Waarschijnlijk is het onderstaande paneeltje gemaakt voor een deurtje van een kast.

Maria overhandigt Dominicus het habijt van de orde
National Gallery
Londen

klik hier voor het vervolg van dag 5