De pest en andere verschrikkingen en de invloed ervan op de kunst

Florence
Giovanni Stradano
Beleg van Florence google art  project
Sala di Clemente VII Palazzo Vecchio 1558
La Veduta della Catena
Video  Le Veduta della Catena  (5.22 minuten)
mouseover
Giovanni Stradano Beleg van Florence San Miniato al Monte

Na 1340 slaat het noodlot toe in Florence: failliete banken, misoogsten en de pest. Rond 1339 was Florence een machtige en rijke stad.80 De geldhandel speelde een grote rol met bankiersfamilies als de Medici, Bardi en de Peruzzi’s. Zoals vaker was rijkdom een grote impuls voor de kunsten. De hier behandelde frescocycli, het eerste paar deuren van het Baptisterium en de palazzi die gebouwd werden, moesten immers wel door de rijke families of gilden betaald worden. Als de Engelse koning Edward III zijn schulden aan de Bardi en Peruzzi nietig verklaart, gaat de Engelse tak van deze banken failliet.

Antonio Verico
Pest in Florence 1348
Antonio Verico Pest in Florence 1348

Er brak paniek uit in Florence. Mensen haalden hun geld van de banken. In 1334 gaan de Peruzzi- en Bardi banken failliet. Bovendien braken er ook nog besmettelijke ziekten uit. Waarschijnlijk stierf hierbij 1/6 deel van de bevolking van Florence. Tot overmaat van ramp mislukte de oogst door zware hagelstormen en dat maar liefst twee keer achter elkaar in 1346 en 1347. Werkloosheid, armoede en hongersnood teisterden Florence. Naast al deze ellende kwam in 1348 de alles overtreffende trap: de Zwarte Dood ofwel de pest. Boccaccio die in dat jaar in Florence was, beschrijft de situatie in het begin van zijn Decamerone zo:

‘Het was in het jaar onzes Heren dertienhonderd achtenveertig dat in de voortreffelijke stad Florence, de mooiste van alle Italiaanse steden, de dood en verderf zaaiende pestilentie uitbrak, die door de invloed van de hemellichamen of door Gods rechtmatige toorn om onze wandaden als straf over de stervelingen werd uitgestort. […] Uit angst om zelf aangestoken te worden, niet minder dan uit deernis met de overledenen, sleepten dezen dan, alleen of met de hulp van sjouwers (als ze die tenminste konden vinden), de lijken naar buiten en legden ze voor de deur, waar de toevallige voorbijganger ze vooral ‘s morgens in groot aantal kon zien liggen. […] Het was zelfs niet uitzonderlijk dat in één kist man en vrouw, of twee of drie broers, of vader en zoon lagen. Als een paar priesters met een kruisbeeld een dode waren gaan afhalen, gebeurde het talloze malen dat dragers met drie of vier andere doodkisten zich bij hen aansloten; en waar ze dachten één overledene te gaan begraven, werden het er soms zes of acht of nog meer.

Luigi Sabitelli
heeft een prent gemaakt waarbij hij uitging van de tekst de tekst van Bocciacco’s Decamerone

Geen mens keek trouwens naar die doden om: er werd geen traan om geplengd en geen kaars om gebrand. […] Aangezien de gewijde grond niet toereikend was om de ontelbare lijken te herbergen die iedere dag en bijna ieder uur bij alle kerken werden aangeboden, en men toch naar aloud gebruik iedereen aan de schoot der aarde wilde toevertrouwen, werden op de kerkhoven enorme kuilen gegraven, waarin de aangevoerde lichamen met honderden tegelijk werden neergelegd, of beter gezegd zoals in een scheepsruim laag voor laag met een flinterdun laagje aarde ertussen op elkaar gestouwd tot de kuil boordevol was.’

Giovanni Boccaccio, ‘Decamerone’, (vertaling Frans Denissen), Athenaeum-Polak&Van Gennep, Amsterdam 2003 (tweede druk 2004) blz. 11-17

Video De pest in Florence

Als een razende storm verspreidde de pest zich over Europa. Florence telde vóór het uitbreken van de zwarte dood in 1348 ongeveer 115.000 tot 120.000 inwoners. In het palazzo Sclafani in Palermo is nog een fresco te zien waar de Dood te paard als een wervelwind toeslaat. Iedereen wordt getroffen: boeren, hoge geestelijken, maar ook de adel. In het laatste kwart van de veertiende eeuw was de bevolking gereduceerd tot 60.000 – 65.000. In 1363, 1374, 1400 en 1417 sloeg de pest weer toe, zij het dat er in die jaren niet meer zoveel slachtoffers vielen als tijdens het beruchte jaar 1348. In 1427 had Florence nog maar 40.000 inwoners.81 Volgens de kroniekschrijver, Giovanni Villani, had Florence deze ellende te danken aan haar hebzucht en woekerrentes. Het was de wraak van God. Villani beschrijft grote processies die drie dagen duurden waarin de Heer om genade werd gesmeekt. Hij liep zelf ook mee in één van die processies.  Een andere kroniekschrijver, Marchione di Coppo Stefani  (Nederlandse vertaling), vermeldt dat er in het jaar van Christus 1348 er tussen maart en oktober 96.000 mannen, vrouwen, kinderen en volwassenen stierven.

flagelanten pest 1348

Het mocht niet baten onze kroniekschrijver stierf nog in het jaar dat de pest uitbrak. Deze periode en in het bijzonder de pest hebben een diepgaande invloed op de maatschappij, de godsdienst en ook op de kunst gehad.


De gevolgen van de pest en andere verschrikkingen voor de schilderkunst

De reacties op al deze ellende liepen sterk uiteen: van losbandigheid tot een religieus fanatisme. De flagellanten waren zeer fanatiek. Zij liepen zij aan zij in een processie waarbij een groot kruis werd meegedragen. De deelnemers waren halfnaakt en sloegen elkaar of zichzelf tot bloedens toe. Ondertussen werd de Heer aangeroepen en gesmeekt om vergeving. De massale sterfte die iedereen elk moment kon treffen, maakte diepe indruk. Er heerste angst. Beroemd is het fresco, ‘Triomf van de Dood’, van Francesco Traini (of Buffalmacco) in de camposante in Pisa. De kluizenaar die gezien zijn levenswijze niets te vrezen heeft, wijst met zijn hand op een tekst op de rol (nu verdwenen) waarop stond: ‘Wij worden graag door de dood getroffen.’ De stank van de lijken in de drie kisten is bepaald geen pretje. Eén van de ruiters knijpt zijn neus dicht en zijn paard snuift met angst de geur van ontbindend vlees op.

Francesco Traini
Triomf van de dood details
camposanto Pisa
mouseover

Dit grote fresco gaat over de dood, de duivel die mensen, ja zelfs kinderen najaagt, de hel en voor hen die godsvruchtig geleefd hebben is er natuurlijk de verlossing. In de Sante Croce heeft Andrea Orcagna een soortgelijk fresco gemaakt waar helaas weinig meer van over is. De onderwerpen waren: de triomf van de dood, het Laatste Oordeel en de hel.82

Andrea Orcagna
Bedelaars en de hel
rest van het oorspronkelijke fresco
refter Santa Croce
mouseover

Na de dood van Giotto in 1337 en zeker na 1340 komt er een nieuwe generatie schilders in Florence. Schilders als Andrea Orcagna, Nardo di Cione, Giovanni da Milano en Giovani del Biondo.

Giovanni da Milano en Giovanni del Biondo

Een paneel van Biondo, ‘Maria van de Apocalyps met heiligen’, nu in het Vaticaan is volstrekt nieuw voor Toscane. In de predella is een ontbindend lijk geschilderd met slangen en padden. De kunsthistoricus, Millard Meiss, heeft een boek geschreven over het effect van de Zwarte Dood op de kunst. Hierin toont hij aan dat er een wezenlijke verandering optreedt na ‘het jaar onzes Heren dertienhonderd achtenveertig.’83 Er ontstaat na de vele verschrikkingen een andere mentaliteit die zich ondermeer kenmerkt door een diep pessimisme en de terugkeer naar een doctrinair geloof.

Giovanni del Biondo
Maria van de Apocalyps
Vaticaan

Dit had natuurlijk ook grote gevolgen voor de wijze waarop kunstenaars te werk gingen. Zo gebruikten de schilders een andere stijl dan hun voorgangers en dan vooral anders dan Giotto. In het kort laat deze stijlverandering zich als volgt puntsgewijs omschrijven:


De oude en de nieuwe stijl in de Kroning van Maria en de weigering van het offer van Joachim

  • Er is in de schilderkunst een terugval naar het dugento, naar de periode vóór Giotto.
  • Er is sprake van een strakke hiërarchie. Dat wat belangrijk is, wordt groot en in het midden afgebeeld.
  • Het menselijke element wordt sterk gereduceerd. Een proces dat te omschrijven valt met de term ‘iconisering’. Waar Giotto, Maria en heiligen vermenselijkte, zie je nu het omgekeerde.
  • De figuren in de nieuwe stijl na 1348 worden vaak frontaal of geheel van de zijkant getoond.
  • Er is minder ruimtewerking. Zo zijn vaak geen tegels meer op de vloer te zien.
  • De expressie verdwijnt. Hiervoor in de plaats komt een apathisch staren dat lijkt op de ‘byzantijnse blik.’

De verandering in de kunst is goed te zien in het werk van twee kunstenaars, Giotto (atelier) en Jacopo di Cione. Beiden hebben een kroning van Maria geschilderd.84 Het al eerder beschreven altaarstuk, ‘de kroning van Maria,’ staat in de Baroncelli kapel (Santa Croce). Het altaarstuk van Cione uit 1373 hangt in de Accademia in Florence. Een vergelijking tussen deze twee panelen laat zien dat wij hier met andere mentaliteit en stijl te maken hebben. In het begin van het trecento wordt de troon op een vloer gezet. De aanwezigen zijn aan beide kanten van de troon opgesteld. Bij Cione wordt het bovennatuurlijke karakter meer benadrukt en het menselijke raakt op de achtergrond of verdwijnt.

Giotto
Kroning van Maria
1330
       Jacopo di Cione
Kroningvan Maria
1373

Maria en God worden hoger geplaatst zodat zij uittoornen boven alle aanwezigen. De troon verdwijnt, daarvoor in de plaats komt een doek. Maria en God lijken wel te zitten, maar onduidelijk is waarop en hoe precies. Kortom, het realisme van Giotto in zijn Baroncelli altaarstuk verdwijnt bij Cione’s ‘Kroning van Maria.’ Hoe paradoxaal dit ook moge klinken, maar de nieuwe stijl van Cione grijpt terug op de vorige eeuw: het dugento. Terwijl Giotto’s werk al de eeuw waarin de Renaissance begint, het quattrocento, aankondigt.

 

De verschillende benaderingen in  ‘de presentatie van Maria’ en  ‘de weigering van het offer van Joachim

Andrea di Orcagna heeft in 1359, zes jaar vóór Milano, een reliëf gemaakt voor het beroemde altaarstuk in de Orsanmichele. Het reliëf, de presentatie van Maria, heeft een nogal dwingende hiërarchische compositie. Het is de eerste keer dat de tempel frontaal wordt weergegeven. De priester staat met opgeheven handen hoog in het midden van het beeldvlak op één lijn met de jonge Maria die de imposante trap oploopt. Jozef en Maria zitten geknield aan beide zijden naast de trap aan de onderzijde. Geen menselijke blikken of gebaren zoals bij Giotto’s Presentatie of die van Taddeo Gaddi. Van enige menselijke expressie is in dit reliëf geen sprake ook niet tussen de priester en Maria. Orcagna laat alleen het goddelijke karakter van deze gebeurtenis zien.

Andrea di Orcagna
Presentatie van Maria
Orsanmichele
1359
Andrea di Orcagna Presentatie van Maria Orsanmichele 1359

De afwijzing van het offer van Joachim is een ander voorbeeld dat in de Santa Croce te zien is. Taddeo Gaddi en Giovanni di Milano hebben beiden dit onderwerp voor kapellen in de Santa Croce geschilderd.85 De jonge Giotto en Taddeo Gaddi hebben dit onderwerp heel anders vormgeven. In de Scrovegni-kapel in Padua is er geen menigte te bekennen.

Giotto
Weigering van het offer van Joachim
Scrovegni-kapel
Padua
ca. 1306

Giotto Weigering van het offer van Joachim Scrovegni kapel Padua ca. 1306

De priester en Joachim staan oog in oog met elkaar als Joachim uit de tempel gewezen wordt. Naast hem een leegte, die zijn gemoed van teleurstelling en eenzaamheid onderstreept. Bij Taddeo is er wel een menigte, maar de verhouding tussen de priester en Joachim blijft hetzelfde. Ook hier wordt de menselijke kant van dit kleine drama getoond.

Taddeo Gaddi
Weigering van het offer van Joachim
Baroncelli-kapel
Santa Croce
ca.1340

Zo niet bij de weigering van het offer van Joachim van Giovanni da Milano uit 1365. Duidelijk is dat de schildering op deze wand (het onderste deel is geschilderd door zijn assistent die bekend staat als de meester van Rinuccini) veel te danken heeft aan Giotto. Dit maakt een blik in de Peruzzi -of Bardi-kapel meteen duidelijk. Het verschil zit in de wijze waarop het verhaal vorm wordt gegeven.

Giovanni da Milano
Weigering van het offer van Joachim

Giovanni da Milano Weigering van het offer van Joachim

Het individuele en persoonlijke element wordt volkomen geëlimineerd. De priester staat in dit fresco hoog en precies in het midden van het beeldvlak. Het offer wordt hier niet zozeer geweigerd door een individu, maar door een hogere macht en dat is heel anders dan bij Giotto of Taddeo.

Giovanni da Milano
Weigering van het offer van Joachim
Rinuccini-kapel
Santa Croce
ca.1365

Het persoonlijke verdwijnt ook bij de menigte die niet meer uit individuen bestaat, maar uit vaste types. Zo zijn de vrouwen rechts op een middeleeuwse wijze weergegeven. De gezichten overlappen elkaar waarbij de neuzen precies bij de oren terecht komen. Het kerkelijke ritueel, het offer, is hier uitgebeeld en niet de menselijke wijze waarop dit in de werkelijkheid gebeurde.

Giovanni da Milano
Weigering van het offer van Joachim

De compositie is opgebouwd uit bewegingen en assen die haaks op elkaar staan. Dit maakt een onnatuurlijke en gekunstelde indruk als je dit vergelijkt met bijvoorbeeld de presentatie van Taddeo Gaddi. Het gebouw heeft veel weg van de architectuur die Giotto en zijn volgers schilderden. Toch lijkt het ook op de nieuwe stijl omdat het frontaal op het beeldvlak is gezet met de apsis precies in het midden. Hierdoor ontstaat een rigide ruimte-indeling. Een andere schilder, Andrea da Firenze, is eveneens sterk beïnvloed door de nieuwe mentaliteit. Om zijn frescocyclus te bekijken, moeten wij echter naar de belangrijkste kerk van de Dominicanen aan de westzijde van de stad.

Klik hier voor het vervolg van dag 5